Dagboek van de opperrabbijn, 22 sept. 2026

Dagboek van de Opperrabbijn, 22 sept. 2026

 

Eigenlijk had ik dit dagboek zondag jl. moeten aanleveren, maar toen was het Erev Jom Kippoer en was ik de hele dag bezig met de voorbereidingen voor de sjoeldiensten, belde ik mensen om ze nog vele jaren te wensen en was ik ’s ochtends voor kapparot in Antwerpen. Op Jom Kippoer zelf, Grote Verzoendag dus, was ik uiteraard de hele dag in sjoel. Vanochtend had ik eerst een video-interview met de Joodse televisie van België. Daarna was ik intensief bezig met WhatsApp en e-mail over allerlei problemen, het gewone rabbinale werk dus, en met mijn tweewekelijkse cursus Diepgang. En toen: de solidariteitswandeling in Barneveld. Een geweldige opkomst, een indrukwekkende motivatie, de eenentwintigste solidariteitswandeling in ons land van niet-Joden die zich ernstige zorgen maken en zich derhalve solidair verklaren met hun Nederlandse Joden en met Israël.

Net voordat ik de auto instapte naar Barneveld ontving ik van de voorzitter van de Joodse Gemeente Amersfoort een oude opgedoken documentaire over de Joodse Gemeente Amersfoort gedurende de oorlog. Langzaam maar zeker worden de Joden afgevoerd, een paar duiken onder, anderen ‘geloven dat het wel zal meevallen’… Maar het viel niet mee. Is deze solidariteitswandeling in Barneveld misschien en onbedoeld een waarschuwing voor wat zou kunnen komen? Wijn uit de ‘bezette gebieden’ is per heden verboden. Het wachten is nu op het moment dat heel Israël tot bezet gebied wordt verklaard. Een universitaire docent speekt me aan na afloop van de wandeling en deelt zijn zorg over de houding van zijn collega’s ten aanzien van Israël en Joden… Aan mij het verzoek om op zijn Universiteit te komen spreken. Ga ik doen, maar voor wie en waarover en hoe?

Ik had me voorgenomen om dit dagboek te eindigen met een korte samenvatting van mijn droosje, mijn predicatie, op Jom Kippoer voor Neïla, het slotgebed:

“Zeven jaar geleden begon ik mijn Neïla-toespraak als volgt: Een antilope was vreedzaam aan het grazen op een Afrikaanse savanne, met haar kalfje dicht naast zich. Ook dat kalfje was aan het grazen. Plotseling zei het kalfje geschrokken: ‘Mama, ik zie in de verte twee leeuwen!’  Maar de moeder bleef kalm en zei: ‘Ja lieverd, ik sta al een tijdje naar ze te kijken.’  Een beetje confuus vroeg het kalfje: ‘Ben je dan niet bang? Moeten we niet wegrennen?’ De moeder antwoordde: ‘Laat me je iets heel belangrijks vertellen. Luister goed, want jouw leven kan hiervan afhangen: een leeuw in de verte is voor onze soort geen gevaar. Op het moment dat we zien dat de leeuw te dichtbij komt, hollen we weg en brengen we onszelf in veiligheid.’

‘Veel gevaarlijker voor ons is een onzichtbare leeuw die zich in de bosjes verstopt, uit het zicht, klaar om een nietsvermoedend slachtoffer te bespringen. Wees altijd op je hoede voor zulke verborgen gevaren ... Openlijke, zichtbare gevaren zijn doorgaans de gevaren waarop we ons richten. Wanneer enkelingen of groepen publiekelijk verklaringen afleggen over het vernietigen van ons volk, zijn we op onze hoede. Maar veel minder hoor je spreken over de meer verborgen, bedekte gevaren - het type antisemitisme dat toeneemt in de vorm van politieke mooipraterij. Ze noemen het antizionisme, maar bedoelen gewoon: antisemitisme.’

Mijn waarschuwende woorden van zeven jaar geleden werden niet door eenieder (h)erkend. Er waren zelfs geluiden die mij paniekzaaierij verweten. Maar nu, anno 5787, zijn zelfs blinden in staat om het gevaar te zien. Natuurlijk moeten we alles in het werk stellen om het antisemitisme te bestrijden. Aan achteroverleunen doen we niet; dat is onjoods. Maar laten we voorlopig niet te veel verwachten van onze strijd tegen de overheid en de publieke opinie ... helaas.

Maar wat kunnen we doen? Zijn we ons ervan bewust waar onze echte kracht ligt? Beseffen we dat er gevaren zijn die uit onszelf voortkomen en die we dus ook zelf kunnen en moeten bestrijden? Zeven oktober heeft zichtbaar mede-joden die aan de rand van de Joodse periferie stonden, wakker geschud. Hun Jodendom was vaak beperkt tot het dragen van een Magen David, die ze juist na 7 oktober bewust en keihard weigerden onder hun kleding te verbergen. Hebben we als Joodse gemeente genoeg gedaan om hen die terugkwamen van weggeweest een warm welkom thuis te geven?

Waarom G’d een wereld heeft geschapen, weten we niet en moeten we ook niet proberen te begrijpen; het overstijgt ons verstand, net als het antisemitisme.

Tijdens Rosj Hasjana en Jom Kippoer richtten we ons primair op de verbetering van onszelf. Wat heb ik gedaan in de strijd tegen mijn eigen individuele assimilatie? Of, om het positief te benoemen: wat was mijn antwoord op de entourage die meer en meer anti-Joods is geworden? Ik doel nu niet op acties naar buiten, maar op acties naar binnen, in mezelf. Als ik mijn eigen Jodendom versterk, heeft dat invloed, ook op mijn omgeving, ongeacht of die Joods of niet-Joods is.

Luid riepen we, bijna schreeuwend, met elkaar het Sjema Jisraeel, terwijl we ons letterlijk onder ons talliet, onze gebedsmantel, verborgen. We zonderden ons als het ware af van de ons omringende (seculiere) samenleving.

In het Sjema Jisraeel, Hoor Israël, zijn twee letters groot en vetgedrukt: de ajin en de dalet, die samen het woord eed/getuige vormen. Terwijl we dus G’d luidkeels accepteerden als onze G’d, riepen we als het ware ook een getuige op. Wie of wat is die getuige?

Zonder te diep in te gaan op de details van mijn toespraak heb ik aangegeven dat er een voortdurende strijd bestaat tussen de keuze vóór of tégen onze G’d. Vóór of tégen de alles-mag-en-alles-kan-cultuur, de zogenaamde neutrale secularisatie, die meestal wordt gevormd door gelegenheidswaarden en gelegenheidsnormen en die religie heeft gedegradeerd tot een privégebeuren dat thuis nog net is toegestaan, maar waarboven de brede samenleving zich dient te verheffen.

De getuigen zijn de littekens die het Joodse volk in de loop der eeuwen heeft opgelopen. Als onze voorouders ermee hadden ingestemd zich tot een andere godsdienst te bekeren, tot het communisme toe te treden of ... Dan hadden wij, de Joden van nu, niet meer bestaan. Door de eeuwen heen zijn we beschadigd, vervolgd en verwond. De littekens van die verwondingen riepen we als getuigen op toen we aan het einde van de Jom Kippoerdienst G’d smeekten om ingeschreven en verzegeld te worden voor een goed, gezond en veilig jaar.

En was dat Sjema het slot van de zesentwintig uur Jom Kippoer? Neen! Daarna klonk nog die ene sjofarklank, die luidkeels uitriep: Am Jisraeel Chaj! Het Joodse volk leeft en het Joodse volk overleeft. Getuige hiervan zijn de oude en de nieuwe, verse striemen: de jonge weduwen en kinderen die hun vader nooit hebben gezien, jonge mannen die in Israël voor ons streden en strijden. Israël, waarheen iedere Jood kan vluchten als het in zijn thuisland onder de voeten te heet wordt ...

Laat het Joodse volk leven, in Israël en waar ook ter wereld. En geef ieder van ons en ieder medemens, Joods en niet-Joods, gezondheid en voorspoed. En bovenal echte sjalom: bimheraa bejameenoe - spoedig in onze dagen: ameen.

En tot de Barneveldse solidariteitswandelaars zeg ik, vanuit de grond van mijn hart: dank voor jullie bewogen en oprecht gemeende bemoediging!

 

 

 

Uploaded Image

Reacties

Populaire posts