dagboek 25 jan. 2026
Het is zondagochtend, nog te vroeg voor het ochtendgebed, maar wel al op tijd om na te denken over de toespraak die ik dadelijk bij de holocaustherdenking in Gouda ga houden. Maar voordat ik een paar van mijn gedachten aan dit dagboek toevertrouw, wil ik eerst het onverwachte bezoek van donderdagavond met u delen.
Wie staat voor de deur? Koen Carlier, u weet wel, de leider van de Christenen voor Israël ploeg die dag en nacht bezig is in Oekraïne met “Breng de Joden thuis”. Mijn dochter uit Canada beklaagt zich op de familie whatsapp dat het sjabbat in Montreal -37 graden (niet Fahrenheit!) was. Waarop mijn zoon David, de familie clown, zich afvraagt waar de “opwarming van de aarde” is. Grappig en -37 is inderdaad een probleem, maar thuis hebben ze verwarming, voor buiten genoeg warme kleding en ook aan warme maaltijden geen gebrek. Neen, luister dan naar de rampspoed in Oekraïne, onbeschrijfelijk. Via tweeëntwintig gaarkeukens worden door de Koen-ploeg gezinnen van warme maaltijden voorzien, terwijl de bommen hun vernietigende werk uitvoeren en de elektriciteit meer af-dan aanwezig is. Waar hebben wij het lef vandaan om te klagen?
In de Thora lazen we deze sjabbat over de Uittocht uit Egypte. Egypte heet in de Thora Mitsrajim en de vertaling van Mitsrajim luidt: begrenzingen. De Joden moesten Egypte verlaten door grenzen te doorbreken, zeker ook spiritueel. De Uittocht werd voorafgegaan door de Tien Plagen, kennelijk dus een voorwaarde om uit Mitsrajim weg te kunnen komen. De eerste plaag was dat het water van de Nijl veranderde in bloed. De Nijl was de economische slagader van Egypte.
Mijn gedachten dwalen af naar de herdenking dadelijk in Gouda. Hoe kon het gebeuren? En is het slechts verleden tijd? Je hoeft geen profeet te zijn om te zien dat de huidige Nijl, de economische afgod geld, en dus macht, door de eeuwen heen miljoenen slachtoffers heeft opgeëist. We herdenken vandaag op diverse plaatsen de Holocaust, maar uitsluitend herdenken zonder vertaalslag naar het heden is zeker waardevol, maar tegelijkertijd zinloos. Er moeten vertaalslagen worden gemaakt, ogen worden geopend. Ik ben ervan overtuigd dat dankzij de onbaatzuchtige inzet van velen die hun tijd en kracht gegeven hebben om de holocaust herdenkingen te organiseren, de toehoorders wakker zullen worden en dus de afgod economische slagader, Nijl, zullen herkennen. En dan?
Inmiddels zijn we precies (ongeveer) twaalf uur verder. Achter in de auto zit ik op mijn laptop dit dagboek te schrijven.
Om 9:30 uur ons huis verlaten richting Stopera om daar bij de voorontvangst van de Nationale Holocaust Herdenking acte de présence te geven, daarna de stille tocht naar het Auschwitz spiegel monument en ondertussen netwerken. Afspraken maken, contacten leggen, investeren. Bij de herdenking zelf kon ik niet blijven omdat ik om één uur in Gouda werd verwacht als gastspreker en de herdenking bij het Auschwitz monument pas om kwart voor één klaar zou zijn. En dus vóór de herdenking stilletjes naar mijn auto, op weg naar Gouda.
Een grote opkomst in Gouda, een warme voorontvangst en een ijskoude plechtigheid die een en al warmte en betrokkenheid uitstraalde. Er werd geen problematiek van elders binnengehaald, het ging duidelijk over Gouda dat in ’40-’45 met kwalijke overgave zijn Joden liet vermoorden. Uiteraard bleef het huidige antisemitisme niet onvermeld, maar het bleef als een onhanteerbaar en in feite onverklaarbaar gegeven overeind staan. Maar… achteroverleunen en het zien en laten gebeuren: no way! Ik realiseer me nu pas dat ik er ben dankzij Gouda. Mijn moeder heeft haar leven namelijk te danken aan Heitze Wiersma, de politieman uit Gouda, die in Friesland een verzetsknokploeg leidde.
Van Gouda naar Maastricht, meer dan twee uur rijden. Daar zou om vier uur de obsjerenis, haarknippen, van het zoontje van rabbijn en mevrouw Cohen beginnen. Hij was vandaag drie jaar geworden en de minhag, gewoonte, bestaat om tot de derde verjaardag het haar van jongetjes niet te knippen. De mens wordt vergeleken met een boom en gelijk bij een boom de eerste drie jaar niet van de vruchten gegeten mag worden, zo ook laten we zijn haar drie jaar onaangeroerd groeien. Hoewel er na de plechtigheid in Gouda er nog een bijzonder gemoedelijke nazit was waar we konden bijkomen van de kleumende kou en we daardoor pas om kwart voor drie onze reis van twee uur en een kwartier naar Maastricht konden beginnen, kwamen we toch nog dik op tijd aan. Een wonder? Neen! Gewoon veel te hard gereden en bovendien begon het feestje met twee Limburgse kwartiertjes te laat.
Het kwam mij symbolisch over. Eerst twee herdenkingen, herinneringen aan de poging om ons uit te roeien, en daarna een klein Joods jongetje dat zonder concessies en met vreugde en gehuld in een tallis, gebedsmantel, de feestelijk aangeklede zaal wordt binnengebracht. Daar mag hij het alef-beet leren en het Sjema Jisraeel hardop zeggen. Vanaf vandaag zal hij tsietsiet dragen, een onderhemd met aan de vier hoeken van het hemdje, de schouwdraden die ons herinneren aan de zeshonderddertien ge- en verboden. Het was een prachtige bijeenkomst, met muziek, dans en heerlijk eten. De leden van de Joodse Gemeente waren in groten getale gekomen om het feest van hun rabbijn en rabbbanit mee te vieren. Am Jisraeel Chaj, het Joodse volk leeft, zeker ook in Maastricht.
Wat, zo vroeg ik me af, is de gemene deler tussen de herdenking bij het Auschwitz monument in Amsterdam, de plechtigheid in Gouda en het obsjerenis-feestje bij de Joodse Gemeente?
Voordat in Mitsrajim de tiende plaag begon, het sterven van de eerstgeborenen, moesten de Joden een lammetje in huis nemen. Het lammetje was de afgod van de Egyptenaren, moest geslacht worden en het bloed moest aan de deurpost worden gesmeerd opdat G’d de huizen van de Joden zou herkennen en daar zouden de eerstgeborenen niet sterven. Om het lammetje te slachten vereiste grote moed. Het lammetje was immers de Egyptische afgod! Van de Joden werd dus gevraagd om demonstratief afstand te nemen van die afgod! Geen sinecure. Maar de beproeving, het gevaar werd nog eens extra groot omdat de Joden alvorens het lammetje te slachten eerst de afgod vier dagen in huis moesten houden, zichtbaar voor eenieder. Wat was hiervan de reden? G’d wilde dat de Joden niet spontaan, als in een opwelling, afstand zouden nemen van de Egyptische afgodendienst. Er moest over worden nagedacht, de idee moest bezinken, vandaar die vier dagen.
Zeer velen waren aanwezig bij het Glazen Auschwitzmonument, bij de herdenking in Gouda en in Maastricht bij het Joodse feestje. Bij alle drie de gelegenheden kan het niet anders dan dat aanwezigen geïnspireerd raakten, geweldig! Maar alleen die spontane inspiratie ter plekke is niet voldoende, de uitstraling van drie keer vandaag moet blijven hangen, moeten we meenemen in onze gedachten, bij ons blijven dragen. Alleen dan is herdenken en vieren echt zinvol.
Reacties
Een reactie posten