Dagboek van de opperrabbijn 22 maart 2026
“Geachte mevrouw de burgemeester, amice, Graag laat ik u weten dat ik de aanvraag voor een onderscheiding voor de heer Willy Lindwer van harte ondersteun. Hij heeft in de afgelopen decennia essentiële bijdragen geleverd aan het levend houden en levend maken van de herinnering aan de Jodenvervolging in Nederland, in woord, in geschrift, in film en in daad, en met een bijzondere overgave, deskundigheid en betrokkenheid. Toeval bestaat niet en het is dan ook geen coïncidentie dat ik deze aanbevelingsbrief schrijf op de dag dat dadelijk, als het buiten al donker is, de acht lichtjes van de Menora zullen worden aangestoken. De heer Lindwer en ik kennen elkaar al meer dan 50 jaar! En daarom kan ik getuigen dat de persoon Lindwer, los van al zijn erkenningen, documentaires, etc. etc. het best vergeleken kan worden met de Menora. Zijn Jood-zijn, zijn familiegeschiedenis en de oorlog waren 24 /7 bij hem aanwezig. Gelijk Chanoeka herinnert aan de strijd die de Joden moesten voeren tegen een gigantische kwaadwillende overmacht, zo ook heeft Lindwer de jaren ’40–’45 zoveel mogelijk zichtbaar gemaakt. Maar ook heeft hij de zuivere vlammetjes die de eeuwen wisten te trotseren via diverse gremia laten stralen en uit de duisternis van de vergetelheid weten te halen. Juist in deze periode van opkomend antisemitisme is de toekenning van een hoge onderscheiding aan een Joodse man die als een Menora probeert de duisternis te verdrijven door juist de herinnering ook aan de duisternis te benadrukken, van groot belang. Niet alleen voor de persoon Lindwer, maar voor Joods Amsterdam, voor Joods Nederland.” En vrijdag jl. was het dan zover en kreeg Willy de Andreaspenning uitgereikt door de locoburgemeester van Amsterdam. Helaas was Femke Halsema verhinderd, jammer, maar ze werd goed vervangen hoewel ze eigenlijk mijns inziens onvervangbaar was bij deze plechtigheid in hartje voormalige Jodenbuurt. Ik was nog nauwelijks thuis of ik ontving uit het Frieslandse een indrukwekkende bede uit de christelijke Friese samenleving: Laat de sabbat vreugde, bescherming , troost en kracht schenken aan onze Opperrabbijn en aan alle rabbijnen die de Joodse gemeenschap in deze donkere nacht moeten dragen, aan Gerard Cohen, voorzitter van de Joods gemeente Friesland en aan allen om hem heen, aan de gekozen Joodse gemeenteraadsleden die in een vaak vijandige sfeer moeten werken en leiding proberen te geven, aan Joodse docenten op scholen en universiteiten die zich veelal in de steek gelaten voelen en eenzaam zijn en aan middenstanders die producten uit Israël verkopen…
Het is fijn bovenstaand spontane gebed te hebben ontvangen, dat steunt. En die steun kon ik net goed gebruiken want bij hoge uitzondering was ik ook gaan kijken naar reacties op mijn vorige dagboek. De meeste waren positief, en dat geeft de dagboek-schrijvende-burger moed, maar er was ook een sloot en wel bijna een oceaan aan haatdragend discriminerende antisemitische reacties.
Via het secretariaat van een van mijn vele Joodse Gemeenten binnen ons Inter Provinciale Opper Rabbinaat kwam ik in contact met een journalist die bezig was met een studie/verslag van de Joodse populatie in Europa. Dat de journalist geen groot kenner bleek te zijn van de EU en nog bijzonder eigenwijs ook, werd al snel duidelijk want zij bleef hardnekkig volhouden dat Kopenhagen de hoofdstad is van Nederland. Toen we eindelijk ter zake konden gaan spreken en ze inmiddels had aanvaard dat in Nederland niet alle Joden waren gered en koningin Wilhelmina niet demonstatief met een Jodenster liep, heb ik haar uitgelegd dat de geschiedenis van Anne Frank geen zwart-wit verhaal is en de les die door sommigen uit Anne Frank wordt getrokken dat alle moffen fout waren en alle Nederlanders goed, niet klopt. Maar (gelukkig?) leefde ze niet in die veronderstelling, want: ze had nog nooit van Anne Frank gehoord! Het is dat ik wist dat ik sprak met een onderzoeksjournalist uit de Verenigde Staten, anders had ik zomaar kunnen denken dat ik een nieuwe Nederlander sprak die nog geen inburgeringscursus had gevolgd!
Achteroverleunend in mijn vliegtuigstoel ben ik nu dit dagboek aan het schrijven. Ik vlieg naar Servië (en de piloot hopelijk ook!) voor minder dan 24 uur. Dat wil zeggen van vertrek uit Amsterdam tot terug in Amsterdam is iets meer dan een etmaal. En wat mag ik daar nou weer doen? Vanuit de RCE, Rabbinical Center of Europe, ben ik gevraagd om twee jongere rabbijnen te helpen met een echtpaar dat beweert Joods te zijn, maar bewijzen en aanwijzingen schijnen te ontbreken. Maar waarom zou iemand beweren Joods te zijn als ze dat niet zijn, hoor ik u vragen. En mijn antwoord is: geen idee! Maar, recentelijk heb ik van een paar kandidaten kunnen aantonen dat ze professioneel creatief met de waarheid weten om te gaan en proberen op sluwe wijze onze Joodse gemeenschap te penetreren, wellicht met kwade bedoelingen. Als iemand aangeeft piloot te zijn geweest in het leger van Irak en daar diende als piloot van een apache helikopter maar niet (meer?) weet hoe zo’n toestel werkt, dan is dat op z’n zachts uitgedrukt vreemd. En zo kan ik nog wel een paar dagboeken vullen met niet-joden die beweren Joods te zijn met bewijzen die aantoonbaar niet kloppen. En daarom even naar Servië en van een vraagteken echtpaar kunnen bewijzen dat zij niet behoren tot de penetranten, maar beiden Halagisch Joods zijn. Iedereen blij: het echtpaar, de rabbijn, het bestuur van de desbetreffende Joodse Gemeente en ik natuurlijk ook.
Toen ik het vliegtuig vanochtend uitkwam, kwam een Nederlandse man naast me lopen en complimenteerde mij dat ik niet bang was en gewoon met zwarte hoed, baard en tsietsiet uit mijn broek hangend, dus volledig zichtbaar Joods, rondliep en mijn Joodse identiteit van geen kant probeerde te verbergen. Het inspireerde hem.
Aanstaande sjabbat is het sjabbat hagadol – de grote sjabbat. Op de tiende van de maand Nisan moesten de Joden een lammetje in huis nemen, het slachten en het bloed aan hun deurposten smeren zodat God zou zien waar Joden woonden en daar zou de tiende plaag, het sterven van de eerstgeborenen, geen grip krijgen. Het lammetje was de afgod van de Egyptenaren en toen de Egyptenaren aan de Joden vroegen waarom ze hun afgod in hun huizen namen, hebben de Joden onverschrokken geantwoord dat ze het lammetje zullen offeren. Vervolgens zijn de Egyptische eerstgeborenen een burgeroorlog begonnen omdat zij de bui al zagen hangen. Ze vreesden voor hun leven omdat de Farao weigerde de Joden te laten gaan en de Farao daarmee dus de facto hun doodvonnis tekende. Maar, zo wordt de vraag gesteld, wat heeft die interne oorlog te maken met de Joden? Welk voordeel hadden zij hiervan? Ze konden Egypte niet eerder verlaten, het slavenbestaan behoorde al een half jaar tot de verleden tijd, de interne strijd was een Egyptisch gebeuren en had met ons Joden niets van doen. Maar: doordat de Joden een afgod in huis namen en de afgod veranderden in een heilig Pesach-offer, van kwaad maakten ze goed, duisternis veranderden ze in licht, hierdoor hebben zij ongewild de Egyptische samenleving beïnvloed en is de burgeroorlog uitgebroken.
De les: door zichtbaar als Joden te leven beïnvloeden we, vaak zonder dat we dat beseffen, de brede samenleving. En dat is een belangrijke taak die we hebben. We doen niet aan zending en missie, maar een positieve bijdrage aan de ons omringende samenleving is zeker een Joodse verplichting.
Reacties
Een reactie posten