Dagboek van de opperrabbijn 19 april 2026
Het was een geweldige conferentie, perfect georganiseerd en ongeveer 150 deelnemers. En toch was ik niet erg gelukkig met het programma in vergelijking met het programma van zo’n dikke tien jaar geleden. De EJA-Jewish European Association is bedoeld voor bestuurders van Joodse gemeenten, verenigingen en organisaties. En ook voor niet-Joden die ‘iets hebben met Joden’, zoals politici, lokale en landelijke overheden en belangenorganisaties. En dus stond er tot enige jaren geleden op het programma workshops hoe met bepaalde leeftijden om te gaan, lezingen door deskundigen over opvoeding, hoe het publiek te binden, antwoorden op moderne vraagstukken, ethiek… kortom alles wat de Joodse gemeenschap nodig heeft en/of betreft. Daarnaast was er misschien wel enige aandacht voor het toen nog opkomend antisemitisme, maar als er al een spreker over antisemitisme het woord mocht voeren dan was de participatie niet erg groot. Bijna niemand kon toen bevroeden dat nu anno 2026 antisemitisme en antizionisme nagenoeg het hele programma zouden vullen. Maar niet alleen op het gedrukte programma, ook in de wandelgangen was antisemitisme=antizionisme het onderwerp van gesprek. En dus, hoor ik u denken, hebben al die gesprekken, panels en verklaringen van vooraanstaande deskundige politici het tij doen keren? En zo niet, wat is dan het nut van ‘spreken over’?
En toch kwam ik terug van de conferentie, en ik ben ervan overtuigd dat ik niet de enige ben, met een goed gevoel, want alle deelnemers waren van mening: we laten ons niet wegpesten. Wij steunen Israël onvoorwaardelijk, maar wij laten ons niet verdrijven uit ons Europese land van inwoning. Velen van ons wonen al vele generaties in ons Europese geboorteland. Wij gaan verhuizen als wij dat willen en als het onze eigen vrijwillige beslissing is gebaseerd op van alles en nog wat, maar niet opgedrongen door angst. Want als angst onze keuze gaat bepalen, worden we gechanteerd. En aan chantage mag nooit worden toegegeven, ook niet als het niet-toegeven mijn positie of mijn privéleven kan schaden… want als het niet zwichten geen nadeel zou opleveren, is het geen chantage!
Maar ook de aanwezigheid van niet-Joodse autoriteiten en niet-Joodse politici kwam warm over. Er zijn G.Z.D nog vele niet-joden die Israël niet laten stikken en hun kop uitsteken in de strijd tegen antisemitisme en antizionisme. Neem nou ons eigen Christenen voor Israël. Vooraan staan ze in de strijd voor Israël, geen risico is hun te groot en geen pro-Israël project te klein. Zelfs hun eigen privéleven brengen ze vrijwillig en geheel belangeloos in gevaar. Aan concessies hebben ze geen boodschap, duivelse filosofieën die Israël in het verdomhoekje duwen bestaan bij hun niet en hoe meer ze door de brede samenleving worden ‘vervolgd’, des te sterker stellen ze zich op. Het was daarom ook geweldig dat tijdens de conferentie onder luid applaus een oorkonde werd uitgereikt aan Frank van Oordt, directeur van Christenen voor Israël Nederland en aan David Vandeputte, directeur van de Belgische Christenen voor Israël. Op het prachtig ingelijste certificaat, dat hopelijk een zichtbare plaats zal krijgen in het Israël Producten Centrum in Nijkerk, lezen we:
For their unwavering courage and moral clarity
in standing with the Jewish people and the State of Israel,
even in the face of intimidation, hostility and violence,
Christians for Israel embody the true meaning of a mensch.
At a time when support too often comes at a cost,
they have chosen principle over pressure,
conviction over convenience, and solidarity over silence.
In honoring them, we recognize not only their steadfast friendship, but also
the enduring values of decency, integrity and shared responsibility that
binds us together.
Ik ben trots dat mijn Blouma op het podium het certificaat mocht uitreiken en ik ben dankbaar dat ik door velen gezien word als de opperrabbijn van de Christenen voor Israël, zowel in Christelijke kringen als binnen Joods Nederland.
Maar, pas op: niet alle christelijke kringen kunnen mijn hechte vriendschap met C4I waarderen en ook in mijn eigen Joodse gemeenschap vindt niet iedereen het juist dat ik me bezighoud met niet-rabbinale zaken en dus indirect niet-rabbinale-zaken verhef (of degradeer) tot rabbinale-taken (een doordenkertje!).
Zo was er een bevriende collega die elders zijn ongenoegen is gaan spuien dat ik onlangs was uitgenodigd door minister-president Jetten naar aanleiding van de aanslag op het Cheider. Ik vond het jammer dat hij mij niet persoonlijk heeft benaderd met zijn klacht, verdenk hem zeker niet van primitieve jaloezie, maar vermoed dat zijns inziens dit soort politieke ontmoetingen niet des-rabbijns behoren te zijn. Ik zou tot hem willen zeggen: neem contact op met rabbijn Yehuda Kaploun. President Donald Trump heeft hem namelijk in april 2025 aangesteld als speciale gezant voor het monitoren en bestrijden van antisemitisme, een positie met de rang van ambassadeur. Rabbi Kaploun was een van de eregasten in Brussel en is een toonbeeld van de combinatie van ambassadeur en rabbijn, rabbijn en ambassadeur. Natuurlijk moet een rabbijn onder alle omstandigheden rabbijn blijven, maar dat impliceert niet dat een rabbijn uitsluitend binnen moet blijven en het buiten vooral buiten houdt. Mijns inziens behoort iedere rabbijn, als de gelegenheid zich voordoet, ook een ambassadeur te zijn.
Aan het begin van Sanhedrin (een van de traktaten van de Talmoed) wordt gesproken over de samenstelling van een Beth Din, een Joodse rechtbank. Zo’n Beth Din kan uit drie dayanim, rechters, bestaan of uit eenenzeventig, afhankelijk van de kwestie waarin een uitspraak moet worden gedaan. De uit eenenzeventig dayanim bestaande rechtbank heet het Sandedrin en is lokaal gebonden aan de Tempelberg en aan een functionerende Tempel. Momenteel is er dus geen Sanhedrin en zal er pas een Sanhedrin zijn met de komst van de Mosjiach. De dayanim die deel uit maakten waren allen Joods-juridische toppers van het allerhoogste niveau. Aan het eind van het traktaat Sanhedrin wordt gesproken over de aanwezigheid van het kwaad in de wereld, dus niet alleen in Israël en zeker niet uitsluitend in Jeruzalem. Het begin van een traktaat en het eind hebben altijd een bepaalde verbintenis, maar die verbintenis lijkt hier volledig zoek. De eenenzeventig dayanim van het Sanhedrin waren geleerden die zich bezighielden met de meest ingewikkelde juridische kwesties en voor de gewone beslommeringen, vetes en gezeur waren kleinere rechtbanken en lokale rabbijnen. Maar toch werd ook van de Halagische toppers verwacht dat ze van tijd tot tijd Jeruzalem verlaten en eropuit trekken om ook in de wereld van het dagelijkse gezeur te strijden tegen het kwaad. En dus, als dat erop uittrekken al gold voor de top van de rechtsgeleerden, hoeveel te meer geldt dat voor mij als eenvoudige rabbijn. Het is goed te lernen, kennis te blijven verrijken, binnen te blijven. Maar ook de Joodse kamergeleerde rabbijn dient zich te begeven in het buiten. En was voor mijn gevoel het juist dat ik de uitnodiging van Jetten heb aanvaard.
Reacties
Een reactie posten