Dagboek van de opperrabbijn 29 april 2026
“We wilden u graag een kaart sturen om te laten weten dat we aan u denken” en terwijl ik die kaart ontving las ik in een van onze grootste landelijke dagbladen: Wat bij extremismeonderzoekers al langer bekend is, is nu ook doorgedrongen tot de AIVD: Hamas heeft een dikke vinger in de pap bij veel pro-Palestijnse demonstraties in Nederland. Verbazingwekkend dat dat nu pas is doorgedrongen tot de AIVD, terwijl een beetje weldenkend mens dat al jaren ziet gebeuren. Het is wat het is, zeg ik tegen mezelf, terwijl ik verder ga met het schrijven van mijn dagboek en de meeste Nederlandse media bijna fanatiek verder gaan met het demoniseren van Joden. De laatste dagen heb ik me, na mijn zondagse bliksembezoek aan Kopenhagen, niet met politiek beziggehouden, maar bezoeken afgelegd aan zieken en bejaarden. Als gevolg van die bezoekjes ben ik best wel triest. Toen ik nog werkzaam was in het Sinai Centrum en de dagelijkse confrontatie had met misère nam ik die narigheid niet mee naar huis. Maar nu, kennelijk vanwege mijn leeftijd, voel ik het lijden van de ander veel dieper en blijft het in mijn gedachten spoken. Totaal zinloos, destructief en het helpt niemand. Moet ik mee zien om te gaan, such is life!
En ondertussen komt het bericht binnen van de aanslag in Golders Green, komt het antisemitisme dichterbij en wordt het steeds normaler en gewelddadiger, terwijl wij in Nederland druk bezig zijn te overleggen over de wet op de privacy en de vrijheid van meningsuiting.
Maar er is ook goed nieuws en wel vanuit ons buurland België: De Brusselse kerk heeft haar excuses aangeboden voor een beschuldiging tegen Joden uit 1370 en heeft een gebrandschilderd raam dat het zogenoemde bloedsprookje‑beschuldiging afbeeldde, vervangen door een gedenkplaat met excuses. Tijdens een bijeenkomst op woensdag vorige week onthulden aartsbisschop Luc Terlinden en mijn collega de Brusselse opperrabbijn Albert Guigui een plaquette in de Kathedraal van Sint‑Michiel en Sint‑Goedele, waarin het antisemitische karakter van het “Mirakel van het Sacrament” wordt erkend.
Het Mirakel van het Sacrament zou hebben plaatsgevonden ergens in 1370, dus al meer dan een week geleden, toen minstens zes Joden uit Brussel ervan werden beschuldigd hosties te hebben gestolen en deze met een mes te hebben doorstoken. Vervolgens vond er een of ander wonder plaats. Voor informatie over de details van het wonder verwijs ik u door naar een RK-geestelijke, daar ik dat niet tijdens mijn Rabbinale opleiding heb meegekregen. Wel weet ik dat er Joden hiervoor levend werden verbrand en de Joodse gemeenschap uit de stad werd verbannen. Deze gebeurtenis vormde de basis voor een jaarlijkse processie die eeuwenlang werd gehouden en begin twintigste eeuw werden gebrandschilderde ramen met karikaturale afbeeldingen van Joden toegevoegd. Nu dus zijn de ramen verwijderd en vervangen door plaquettes waarop staat dat Joden in het verleden ten onrechte werden beschuldigd en dat dit onlosmakelijk verbonden was met antisemitisme. Ook vragen de teksten de Joodse gemeenschap om vergiffenis voor het leed dat hun werd aangedaan. “We kunnen het verleden niet veranderen, maar we kunnen wel beslissen hoe we het doorgeven. En daarin schuilt een enorme verantwoordelijkheid: ervoor te zorgen dat verhalen die ons ooit verdeelden, kansen worden voor verzoening,” sprak opperrabbijn Guigui.
Overmorgen, vrijdag 14 Ijar-1 mei, is het Pesach Sjenie, de tweede Pesach. Als in de tijd van de Tempel in Jeruzalem iemand gedurende Pesach door omstandigheden het Pesach-offer niet had kunnen brengen, hij was bijvoorbeeld onrein of onderweg, dan was 14 Ijar, precies een maand na Pesach, een herkansing mogelijk. Het Pesach-offer kunnen we niet brengen zolang de Tempel niet is herbouwd, maar ook de wetten die fysiek niet (meer) bestaan, blijven hun eeuwigheidswaarde behouden. Met andere woorden: er bestaat nooit een te laat! Te laat dus niet, maar laat wel. Het is inmiddels erg laat, al in de vroege uurtjes van donderdag en verlaat ik dit dagboek, maar niet na eerst mijn dank te hebben uitgesproken voor de prachtige bos bloemen die een van mijn trouwe lezers heeft gestuurd. Was bestemd voor Pesach, gaf de afzender aan, maar toen waren wij niet thuis. Maar omdat het Pesachoffer bij afwezigheid ook een maand later gebracht kon worden, zal hetzelfde ook wel gelden voor de bloemen, die komen nooit te laat! Dank!
O ja, ik zou het bijna vergeten. Om tien uur precies stonden ze voor de deur, vanochtend, en iets voor enen gingen ze weer weg. Ze, is de Tv-ploeg van Dit is De Kwestie dat elke week een uitzending maakt over een maatschappelijke kwestie op het snijvlak van geloof en samenleving. En in die bijna drie uur filmden ze, spraken met mij en Blouma en werkten aan een uitzending over de Joodse gemeenschap die bezorgd is en zich afvraagt of ze hier nog wel kunnen blijven. Mijn mening heb ik duidelijk kenbaar gemaakt: ik woon hier al vele generaties en laat me niet wegpesten, hoewel het storend is en eigenlijk totaal onaanvaardbaar dat mijn schoondochter uit Londen, waar net die aanslag is gepleegd, voor vakantie niet meer met haar gezin durft in te trekken in ons huis vanwege de vele en inmiddels genormaliseerde antisemitische scheldkanonnades. En leest u dit even, wat een van de gemeenteleden, mijn gast op sjabbat, ons schreef: “Beste Opperrabbijn. Dank dat ik sjabbat bij u mocht zijn voor de maaltijden. Maar ik heb op straat tot drie keer toe nare ervaringen gehad en dat wil ik toch, ondanks de lekkere maaltijden en de fijne sjabbat-sfeer, met u delen. Vrijdagavond liep ik langs een schoolpleintje op weg naar uw huis, toen ik beledigend werd nageroepen door jeugd. Ik keek om en zag tot mijn verbazing dat bij de scheldende kinderen een volwassen persoon stond, die het allemaal maar prima en normaal leek te vinden want van correctie naar de kinderen of excuses naar mij, was geen sprake. Op de terugweg in hetzelfde wijkje werd ik nagescholden voor kankerjood door een jongen op een scooter met een kenteken dat ik aan de politie heb doorgegeven maar om geen gezeur te krijgen met de wet op de privacy ik hier niet vermeld. Een fietser reed naast hem. Sjabbat-middag in het drukke centrum werd ik wederom, dit keer zelfs uitgebreid, beledigend nageroepen door een stel mannen. Het leek me niet verstandig om om te kijken. Vele voorbijgangers en omstanders hoorden en zagen het gebeuren, maar het werd kennelijk aanvaard, want niemand greep in of zei iets tegen de mannen of tegen mij. De Jood heeft het maar te accepteren.”
Reacties
Een reactie posten