dagboek 21 juni 2026
Dagboek van de opperrabbijn 21 juni 2026
Dit is geen AI-dagboek!
Om meer dagboeklezers te lokken werd mij geadviseerd om AI, Artificial Intelligence, op mijn dagboek los te laten. Hoewel de adviseur dat in alle oprechtheid aanbeval, heb ik weloverwogen besloten om zijn aanbeveling een aanbeveling te laten en gewoon mezelf te blijven. Maar, zo hoor ik voorstanders van AI denken: “je kunt zoveel voorkeuren intoetsen dat het dagboek helemaal je eigen dagboek blijft.” En daarin verschil ik dus van mening! Op onze Jacobs-familiegroep ontstond een discussie over de vraag of het juist is om via AI het portret van de Rebbe ta laten maken. Even een korte uitleg: Vorige week was de Jaartijd, de overlijdens dag, van de Lubavitcher Rebbe. Mijn Amerikaanse schoondochter, een hoogopgeleide onderwijsspecialist, vroeg zich af of het juist en Halagisch, Joods-wettelijk, geoorloofd is om met AI een foto van de Rebbe te maken. Haar vraag veroorzaakte een levendige discussie. Een van de voorstemmers vroeg zich af wat het verschil zou zijn tussen een prachtig schilderij van de Rebbe en een AI-foto, beiden zijn niet echt. Maar hier ligt mijns inziens juist het essentiële verschil. Het schilderij is weliswaar geen foto, maar is wel het product van de menselijke kijk van de schilder op de Rebbe, hoe hij tegen hem aankeek. In een afbeelding die door AI is gefabriceerd, zelfs als de foto een onnavolgbare gelijkenis vertoont, ontbreekt de menselijke inbreng, het is als een lichaam zonder ziel en het is juist die bezieling die niet mag ontbreken op de dag van de Jaartijd. En dus, mijn trouwe dagboekenier, zult u het met mijn gewone dagboek moeten doen. Misschien zal een AI-dagboek beter ogen, maar het blijft als een lichaam zonder ziel, terwijl het voor mij juist gaat over de bezieling en niet over de verpakking.
Woensdag hadden we maar liefst drie predikanten op bezoek, ds. van den Houten, ds. Hoolwerf en ds. Leon. Samen vormen zij het dagelijks bestuur van de Protestantse Raad voor Kerk en Israël. Ons gesprek ging niet over politiek en zelfs niet over Israël, maar o.a. over de vraag: wat is een opperrabbijn? In het gesprek werd door mij deze vraag met een wedervraag beantwoord: wat is een dominee? Als geestelijk verzorger in de gezondheidszorg heb ik namelijk niet-joodse collega’s ontmoet die weliswaar zich dominee noemden, maar aangaven niet in G’d te geloven. Voor mij is zo’n dominee de facto een maatschappelijk werker, maar dan in de salarisschaal van een geestelijk verzorger. Het gesprek met de drie was goed en vol inhoud. Juist in deze periode van ontembaar en omhoogschietend antisemitisme, is de dialoog en de ontmoeting van essentieel belang. Onze bijeenkomst was respectvol en vol bezieling. Dank voor de ontmoeting, weleerwaarde collega’s!
Donderdag was het voor mij een e-mail-afwerk-dag en voorbereiding voor de choepa, huwelijksinzegening, van zondag. De ketoeba, de huwelijksacte, moest worden ingevuld en vervolgens, om het er netjes uit te laten zien, naar de drukker. Dat was in een paar uurtjes geregeld. Wat vele uren en stress kostte was de toespraak. Want de laatste jaren schrijf ik geen toespraken meer op, maar spreek ik uit het hoofd en uit het hart, nagenoeg onvoorbereid. En hoewel hieraan het risico kleeft dat ik met m’n mond vol tanden kom te staan, prefereer ik de ter plekke ontstane en spontane toespraak boven een vooraf neergeschreven tekst. Maar bij een choepa gaat dat niet lukken. Wíe vermeld ik wel, en wie niet? En ook, wat wel en wat niet? Juist een toespraak bij een choepa blijft bij en is eenmalig, met als negatief bijverschijnsel dat een verkeerd woord daardoor onuitwisbaar wordt en het bruidspaar hun verdere leven kan blijven achtervolgen. Dus, een zorgvuldige voorbereiding is vereist!
Grote zorgvuldigheid is ook geboden bij het gesprek en de ontmoeting met mede-Joden die, als gevolg van de oorlog, bij christelijke onderduikouders zijn grootgebracht en daardoor hun Jodendom nooit hebben meegekregen. Na de oorlog hebben familieleden, overlevenden, gepoogd om hun neefjes en nichtjes die als weeskinderen waren achtergebleven terug te brengen binnen de Joodse gemeenschap en bij het Joodse geloof. Ingewikkeld, want de duikouders hadden ‘hun kinderen’ wel gered en de kinderen wisten meestal niet anders dan dat hun duikouders hun echte ouders waren. Deze Joodse kinderen gingen uiteraard mee naar de kerk want niemand mocht natuurlijk weten dat deze duikkinderen niet de kinderen van de duikouders waren. Maar na de oorlog kwam het dilemma. Ooms en tantes probeerden de kinderen van hun broers en zusters die niet waren teruggekeerd, terug te brengen naar de Joodse gemeenschap. Hun echte ouders hadden dat zeker gewild, maar de Nederlandse wet stak daar een stokje voor. Ik weet van mijn eigen grootouders hoe ze tot aan de rechtbank toe gepoogd hebben om neefjes en nichtjes terug te krijgen. Maar, zo laat ons de geschiedenis van de Nederlandse rechtszaken zien, bijna nooit mochten de Joodse kinderen Joods blijven. Eergisteren heb ik zo’n verdwaalde christelijk-Joodse vrouw ontmoet. Zij, een inmiddels hoogbejaarde vrouw, belde mij. Ik had haar al eens ontmoet, naar ik meen in Nijmegen, bij het aansteken van de Menora. Het klikt tussen ons, haar Joodse wortels is ze niet vergeten en de kerk heeft ze niet verlaten… Haar kinderen en sommigen van de kleinkinderen zijn Joods. Sommigen, want Joods-zijn loopt via de moeder en dus zijn de kinderen van haar dochters Joods maar van haar zoon niet. En terwijl ik nog nauwelijks de hoorn op de haak had gelegd, werd ik door een niet-Joodse vriend geattendeerd op een andere Joodse verdwaalde overlevende die al niet meer tussen ons is, maar nazaten heeft/had, waarvan enkelen terug willen naar hun roots, ook uit respect voor hun grootouders die in Sobibor werden vermoord. Maar de weg terug is lastig zonder richtingwijzer. Aan mij is het nu om een zorgvuldige GPS te zijn, met begrip voor de situatie waarin ze zijn beland en waar ze dus kennelijk moeten/moesten zijn.
Omdat mijn digitale agenda de nieuwe week laat beginnen op maandag, eindig ik dit dagboek op zondag.
Een choepa! Een bruiloft van een bruidspaar dat niet alleen voornemens is om samen de toekomst in te gaan met en voor elkaar, maar dat duidelijk ook iets wil betekenen voor de Joodse gemeenschap en daardoor ook voor de samenleving in haar volle breedte. Beiden hebben ze een goede fulltime baan en beiden hebben ze ook een invloedrijke hobby. De chatan, de bruidegom, gaat voor voetbal, de kalla geeft zich volledig voor het gezin, als hoeksteen van de samenleving.
Hoewel ik geen groot kenner van de voetbalwereld ben, weet ik wel dat een voetballer steeds het juiste doel voor ogen moet hebben. Maar welk het juiste doel is wordt bepaald door afkomst: land, woonplaats, het gezin.
Beste dagboekenier, u begrijpt de boodschap en de wens die ik het bruidspaar heb meegegeven alvorens ik hen heb mogen zegenen met de aloude priesterzegen waarin we G’d vragen om chatan en kalla de echte sjalom, fysiek en geestelijk, te schenken.
Reacties
Een reactie posten