Dagboek van de opperrabbijn 10 juni 2026
Het waren wel redelijk afwisselende dagen die ik achter me heb. Het begon zondag met een voorbespreking met chatan en kalla, bruid en bruidegom. Even een tussendoortje: de vertaling van chatan is bruidegom en van kalla luidt bruid. Het ware dus logischer geweest indien ik zou hebben geschreven (1) chatan en (2) kalla, (1) bruidegom en (2) bruid in plaats van (1) chatan en (2) kalla, (2) bruid en (1) bruidegom. Maar omdat we in het Hebreeuws van rechts naar links schrijven heb ik dus bij de Nederlandse versie een andere volgorde gehanteerd. Mocht u er geen wijs uit kunnen worden wat ik precies bedoel, schaam uzelf niet, want ikzelf kan het ook bijna niet meer volgen!
Terug naar de chatan en kalla. Terwijl we de choepa aan het bespreken waren hoorde ik plotsklaps een storend lawaai. Geen idee waar dat vandaan kwam. Maar mijn gasten, de chatan en kalla, wisten het wel. Zij zaten namelijk op de bank in onze woonkamer en konden daardoor zien dat een snotaapje onze tuin was binnengekomen, naar onze voordeur liep en daarna wegholde. We hebben onze voorbespreking rustig afgemaakt, politie gebeld en de camerabeelden opgevraagd. Goed herkenbaar is het jongetje dat meende onze afgesloten voortuin binnen te mogen komen en zich vervolgens heeft veroorloofd om tegen onze voordeur te bonken. Nou hadden we een paar maanden geleden op eigen kosten onze oude houten voordeur laten vervangen door een soort kluisdeur, kennelijk om, achteraf bezien, het knaapje niet de gelegenheid te bieden om onze deur in te trappen.
Vanwege het gezeur met GelreDome en die zanger had ik vorige week dagelijks contact met de eerste burger van Arnhem, Ahmed Marcouch. En dus heb ik hem twee foto’s van het heldhaftig weghollende knaapje toegestuurd, want mijn camera’s hebben behoorlijk plichtsgetrouw hun film-taak uitgevoerd. Nou zit ik met de vraag of het wettelijk en menselijk is toegestaan om de foto’s te publiceren vanwege schending van de privacy en omdat het knaapje een kind is. Maar los van menselijkheid mijnerzijds: het knaapje mag wel een inbreuk doen op onze privacy, maar als ik zijn privacy zou schaden (hetgeen ik dus absoluut niet wil doen vanwege zijn jonge leeftijd) dan zou ik meteen en met veel bombarie een proces aan mijn broek hebben wegens het opzettelijk en met voorbedachten rade beschamen van het snotaapje! Van een wijkagent, die mijn wijkagent niet meer is, mag ik hem absoluut geen snotaapje noemen want dat is discriminatie. Wat er discriminerend is aan een snotaapje is mij volstrekt onduidelijk want er bestaan niet uitsluitend moslim-snotaapjes. Er zijn zeker ook christelijke snotapen en zelfs Joodse……. En zie hier een deel van de reactie van burgemeester Ahmed Marcouch:
Met grote verontwaardiging heb ik kennisgenomen van de intimidaties waaraan u als Opperrabbijn, uw gezin en bezoekers worden blootgesteld. Het is volstrekt onacceptabel dat kinderen, sommigen nog geen tien jaar oud, zich schuldig maken aan het gooien van troep in de tuin, het trappen tegen de deur, antisemitische uitlatingen en andere beledigingen. Dit is geen kattenkwaad; dit is doelbewust en stelselmatig grensoverschrijdend en crimineel gedrag dat angst en onveiligheid veroorzaakt. Antisemitisme, in welke vorm dan ook, hoort geen plaats te hebben in onze samenleving. Dat dit zich afspeelt bij iemand thuis, op de plek waar men zich juist veilig zou moeten voelen, maakt het des te ernstiger. Ik doe een dringende oproep aan ouders om hun verantwoordelijkheid te nemen. Kinderen leren hun normen en waarden niet alleen op school of op straat, maar allereerst thuis. Ouders moeten hun kinderen hierop aanspreken, corrigeren en duidelijk maken dat haat, intimidatie en respectloos gedrag nooit acceptabel zijn.
Wel een tegenstelling: de voorbereiding tot de choepa enerzijds en poging tot deur-intrappen anderzijds. Maar los van deze tegenstelling heb ik de laatste dagen nog meer tegenstellingen mogen beleven. Ik was in Parijs in het gebouw van de Consistoire de Paris voor een conferentie van dayanim (rabbinale rechters) met o.a. de Sefardische Opperrabbijn van Israël. Deze conferentie ging niet zozeer over de rabbijn in het (Joodse)veld en pastorale zorg, maar over de technische Halagische (Joods-wettelijke) vraagstukken, zoals DNA als wel/niet bewijs voor Jood-zijn, financiële afwikkeling van echtscheidingen, adoptie, erfrecht, hoe wordt er bepaald of iemand zonder bewijsstukken Joods is en over de verhouding tussen de Halaga en de wet van het land van inwoning in het geval dat deze met elkaar conflicteren. Het was absoluut geen “conferentie met uitstapje”, maar van maandagmiddag tot woensdagmiddag waren zestig Europese dayanim bijeen voor een intensieve bijscholing, afgesloten van de reguliere alledaagse beslommeringen.
Maar ook tijdens zo’n conferentie stopte het gewone leven niet. En dus was ik dinsdag in de uiterst vroege uurtjes bezig met een sterfgeval en de organisatie van tahara, de rituele wassing, gesprek met familie en de organisatie van de lewaja.
Ook rabbijnen zijn gewone mensen en worden ook in hun eigen privéleven, voorzover een rabbijn een privéleven heeft, met vreugde en verdriet geconfronteerd. Voordat de conferentie begon kreeg ik een telefoontje met het verzoek om tijd in te ruimen gedurende de conferentie voor een collega die recentelijk getroffen werd door een grote tragedie in zijn privéleven. Gezien ook rabbijnen soms geestelijke bijstand nodig hebben, werd mij verzocht om hem onopvallend bij te staan. Met ‘onopvallend’ bedoel ik dat ik niet moet aankondigen dat ik hem geestelijke bijstand kom verlenen, maar op een natuurlijke wijze, omdat ik bijvoorbeeld toevallig bij de maaltijd naast hem kwam te zitten, hem de gelegenheid heb geboden om over zijn verdriet communiceren. Het werkte en op z’n minst mocht ik zijn klankbord zijn en meedenken aan een mogelijke oplossing. Of dit collegiale contact ook na de conferentie opvolging zal krijgen, wacht ik braaf af. Hij weet dat ik voor hem bereikbaar ben, maar hij zal zelf moeten beslissen of hij wel of niet van mijn adviserende klankbord-functie gebruik wil maken. En ondertussen, tussen de lezingen door, stopt de e-mail niet en zit ik met mijn laptop voor me te beantwoorden en maak ik afspraken voor ontmoetingen, lezingen en bijzondere gelegenheden waar mijn aanwezigheid verwacht wordt of van nut kan zijn. O ja, bijna vergeten te vermelden: al bijna vijftien jaar heb ik geen gebruik gemaakt van een trein. Politie vindt dat onverantwoord. Als, God behoede, iemand iets kwaads wil uithalen, kan ik letterlijk geen kant op. Maar omdat bij de Eurostar passagiers meer en anders worden gecontroleerd dan bij een reguliere trein, mocht ik de trein naar Parijs nemen, mits ik in Gare du Nord zou worden afgehaald en naar Schiphol zou worden gebracht. De trein bracht de honderden en honderden kilometers die ik in het bijna grijze verleden heb afgereisd weer in mijn gedachten. Tien jaar lang, vanaf 1975, iedere zondagochtend Amersfoort-Leeuwarden. Bijna de hele klas die ik daar les heb gegeven woont nu in Israël. Enerzijds jammer, want ze hadden een zeer waardevolle bijdrage kunnen leveren aan Joods-Nederland, maar anderzijds …
Mijn solidariteit gaat uit naar de Opperrabbijn, zijn gezin en de Joodse gemeenschap. Zij moeten weten dat zij er niet alleen voor staan. Je vriend Ahmed Marcouch.
Reacties
Een reactie posten