Dagboek van de opperrabbijn, 30 sept. 2026

Dagboek van de opperrabbijn, 30 september 2026

Het is nu Chol Hamo’eed, de dagen tussen de eerste twee dagen Soekot en de laatste twee dagen, Slotfeest en Simchat Thora. Die tussendagen zijn dus geen echte Jom Tov-dagen met alle daaraan gekoppelde ge- en verboden, maar het zijn ook geen gewone doordeweekse dagen met doordeweekse kleding. Ook de Joodse scholen zijn gesloten en als je naar de Efteling gaat, waan je je bijna in Jeruzalem, omdat Kaatsheuvel niet ver van Antwerpen ligt en het maken van uitstapjes met de kinderen en/of kleinkinderen zo ingeburgerd is dat je zou kunnen denken dat het een Halagische verplichting is.

En omdat Blouma en ik altijd Chol Hamo’eed een of meerdere uitstapjes maakten met onze kinderen, hebben we gisteren de kleinkinderen meegenomen voor een uitstapje. Maar niet naar de Efteling of een ander pretpark. Hoewel ik niet principieel tegen pretparken ben, zijn wij gisteren met de kleinkinderen de natuur ingedoken, omdat stadskinderen vaak het contact met de natuur moeten ontberen en ze vruchten slechts uit het blik kennen en melk uit het pak. We gingen appels plukken bij een heuse appelpluktuin. Voorzien van dozen vol appels keerden we allen vermoeid en voldaan huiswaarts.

O ja, omdat we niets eten of drinken buiten de Soeka, had een van onze puberkleinkinderen een piepkleine Soeka gebouwd die nog net aan de door de Halaga vereiste maten voldeed, een echte kantje-boord-koosjere loofhut!

Onderweg naar huis moest ik aan mijn oma Roza denken, waarom weet ik niet precies, maar zij heeft mij altijd gebensjt met de aloude priesterzegen, zijnde de dochter van een kohen. Ze was dankbaar omdat haar drie kinderen, waaronder dus mijn moeder, alle drie de oorlog hadden overleefd en omdat ze vier kleinkinderen rijk was.

Het bejaarde echtpaar in het Joods Bejaardencentrum aan de Coolsingel in Rotterdam, dat naast mijn oma woonde, had geen kinderen, schoonkinderen en bijna helemaal geen kleinkinderen meer. Bijna, want ze hadden nog één kleinkind, maar dat woonde in Israël. Het bijzondere was dat ze er helemaal geen moeite mee hadden dat mijn oma met al haar kinderen en beide ouders de oorlogsjaren had overleefd. Altijd mochten we bij hen een snoepje komen halen, altijd toonden ze belangstelling voor ons wel en wee. Nooit toonden ze jaloezie of opstandigheid. De zichtbare dankbaarheid dat ze toch nog één kleinkind mochten hebben dat zelfs in het Heilige Land woonde, gaf hun kennelijk een intense rust en wist het grote verdriet en de ondraaglijke pijn voor de toeschouwer zichtbaar te verdrijven.

Ook moest ik aan Gerard en Beppie Caneel denken. Ze konden geen kinderen krijgen, want Beppie was in Auschwitz door Mengele ‘behandeld’. Bijna iedere zondag nam ze onze kinderen mee naar de Diergaarde. Ook bij haar geen jaloezie en de onbeantwoordbare vraag “waar was G’d in Auschwitz” kwam bij haar niet op.

 

Hoe zouden die buren van mijn oma Roza, tante Beppie en oom Gerard hebben aangekeken tegen het beleid van onze huidige Nederlandse regering? Wat zouden zij hebben gedacht over het verbod op in- en verkoop van producten uit de betwiste gebieden? Ik weet zeker dat zij hetgeen nu geschiedt, toentertijd naar het Sprookjesbos in de Efteling zouden hebben verwezen.

Regelmatig wordt mij ongevraagd geadviseerd om me vooral met religie bezig te houden en mijn vingers niet te branden aan politiek. Neem een voorbeeld, zo werd me ingefluisterd, aan de meerderheid der politici. Ook zij laten hun politieke opstelling regelmatig niet door politieke inzichten bepalen, maar door de media, die op hun beurt gestuurd worden door geld, macht en roem. Maar het laatste woord ligt vaak bij de afgod IK. De IK van ikke, ikke, ikke en de rest mag stikken.

En dus zal ik me concentreren op onze rijke Joodse godsdienst. De jaarlijkse cyclus van de Hoge Feestdagen begon op Rosj Hasjana met het blazen op de sjofar, die ons eraan herinnert hoe onze aartsvader Jitschak zichzelf volkomen wegcijferde en bereid was zich letterlijk op te offeren omdat G’d dat kennelijk verlangde. Bij Jitschak was geen greintje IK te bekennen, ook geen trots nadat hij de onmogelijke beproeving had weerstaan.

En toen kwam Jom Kippoer. We namen onszelf onder de koosjere loep. Waar heb ik het afgelopen jaar gefaald? Hoe kan ik mezelf verbeteren? En dan, aan het eind van het vasten, roepen we gezamenlijk luidkeels het Sjema Jisraeel: Hoor Israël, U bent onze G’d.

En daarna Soekot, het Loofhuttenfeest. Het is niet de bedoeling om onszelf van de wereld af te sluiten en het Jodendom binnen de veilige muren van de sjoel te houden. De mens heeft de opdracht om de schepping te verheffen en daarom gaan we naar buiten en bivakkeren we tijdelijk onder de open hemel, in de Soeka.

En tot slot vieren we zondag aanstaande: Simchat Thora, Vreugde der Wet. Want hoe verhef ik mezelf en de mij omringende samenleving? De Thora is de gebruiksaanwijzing en leert ons hoe wij als mens met onszelf en de ons omringende samenleving moeten omgaan: “Dien G’d met vreugde”. En daarom zullen we uitbundig met die Thora gaan dansen. We gaan onze vreugde tonen en onze dankbaarheid demonstreren omdat we richtlijnen hebben gekregen voor hoe we met onszelf en de ons omringende maatschappij moeten omgaan, zonder sociale media.

Maar in plaats van me enkel en alleen te concentreren op ons Jodendom, onze religie, begon ik dit dagboek toch weer uitgebreid over de oorlog en over de huidige situatie in de wereld: schoenmaker, houd je bij je Joodse leest!

Moet ik zwijgen? Of juist spreken? Waarschuwen? Of vooral niet overdrijven? Waarom roep ik niet op om Europa, inclusief Nederland, te verlaten en adviseer ik allen om, voordat het te laat is, richting Israël te vertrekken?

Ik was er bijna van overtuigd dat het voor mij het best zou zijn om de politiek aan politici over te laten en ik, rabbijn, me gewoon concentreer op de Halaga en natuurlijk ook op de door G’d aan ons gegeven Joodse literatuur en filosofie, dus op de totaliteit van Thora en Traditie.

Maar toen keek ik een paar dagen vooruit. Op Simchat Thora eindigen we de Thora en beginnen we de Thora meteen weer opnieuw met Bereesjiet, in den beginne, de Schepping. Rasjie stelt daar de vraag, helemaal aan het begin, waarom de Thora met het scheppingsverhaal begint. En zijn eigen antwoord luidt: Als de Verenigde Naties bij de Joden komen en ze beschuldigen van diefstal omdat zij het land Israël zouden hebben gestolen, dan is het antwoord dat G’d de wereld heeft geschapen en ons dat stukje land heeft toebedeeld…

 

Oeps! Bedrijf ik toch weer politiek, ondanks mijn goede voornemens om als rabbijn me uitsluitend met rabbijnse religieuze kwesties in te laten.

 

Uploaded Image

Reacties

Populaire posts