Dagboek van de opperrabbijn, 5 juli 2026
Dagboek van de Opperrabbijn, 5 juli 2026
Dat het leven niet altijd zwart-wit is werd mij wederom duidelijk tijdens het gesprek dat ik recentelijk had met een vertegenwoordiger van discriminatie.nl. Een korte blik op hun website geeft aan wat hun doel is: het helpen van de medemens die wordt gediscrimineerd vanwege dyslexie, ras, zwangerschap, geloof, huidskleur en noem maar op, want discriminatie kan zich op velerlei fronten afspelen. Het gesprek met mij ging natuurlijk over antisemitisme en de vraag aan mij was min of meer of wij Joden willen deelnemen en meedenken in de strijd tegen discriminatie. Het was een fijn, open en verrassend gesprek over een ingewikkeld onderwerp: valt Jodenhaat onder discriminatie? Wat doet het ertoe, welde in eerste instantie op in mijn gedachte, maar na enig denkwerk en naarmate het gesprek vorderde kwam ik tot de conclusie dat dat er wel degelijk toe doet. De Talmoed leert ons dat als bij een zieke de diagnose is vastgesteld, de persoon reeds half is genezen. Maar dat impliceert wel dat een verkeerde diagnose de genezing ernstig in de weg staat, want iedere ziekte vereist zijn eigen specifieke behandeling en medicatie. Hoewel: bij verkoudheid, spierpijn, menstruatiepijn, hoofdpijn en bij nog vele andere pijnen helpt wel bijna altijd een gewoon paracetamolletje. En zo is er ook voor iedere vorm van discriminatie een overkoepelend geneesmiddel genaamd ‘tolerantie’. Maar gelijk dat paracetamolletje uitsluitend de symptomen verlicht, maar de kwaal zelf geheel niet bestrijdt, zo ook is tolerantie een symptoombestrijder die het kernprobleem ongemoeid laat. En dus is het te simpel om antisemitisme slechts een onderdeel te laten zijn van algemene discriminatie, want Jodenhaat gaat veel en veel dieper en wordt niet opgelost door paracetamol. De vertegenwoordigster van discriminatie.nl gaf het zelf eigenlijk en wellicht onbewust al aan. Zij is gehuwd met een uit Jemen afkomstige Joodse man en benoemde dat in Israël zeker aan het begin van de oprichting van de Staat Israël er sprake was van discriminatie. De intelligentsia waren de Joden uit de westerse landen. Zij waren gestudeerd, ontwikkeld en keken vaak neer op de mede-Joden uit de Arabische landen die meestal nog analfabeet waren. Dat interne verschil (discriminatie!) bestaat vandaag de dag niet meer, maar de koepel-discriminatie tussen Joden en niet-Joden is meer dan mondiaal aanwezig of beter uitgedrukt: antisemitisme is (bijna) volledig salonfähig. Ook is ieder mens meer dan uitsluitend zijn seksuele geaardheid zoals ook dyslexie slechts een onderdeel is van een mens, een probleem, waaraan iemand lijdt. Een donkere huidskleur betreft uitsluitend de huid en betreft dus de manifestatie. Maar de Jodenhaat raakt de Joodse mens in al zijn facetten, in zijn bestaan op deze aardbol, ongeacht zijn huidskleur, zijn gedrag, rijkdom of armoede, muzikaliteit of intelligentie, dyslexie of homoseksuele geaardheid. Kunnen wij Joden dus meedoen met discriminatie.nl? Nee, dat was mijn eerste reactie. Maar terwijl ik dit schrijf, drie dagen later, veranderde ik van gedachte. Neen, antisemitisme is niet gelijk aan andere vormen van discriminatie en behoeft dus een eigen specifieke aanpak, maar dat mag mij er niet van weerhouden om met discriminatie.nl mee te vechten met hun strijd, die ook mijn strijd hoort te zijn als mens in de brede samenleving.
Na afloop van het gesprek met discriminatie.nl werd ik naar Apeldoorn gereden. Het was nog steeds 17 Tammoez, de vastendag waarover ik in mijn vorige dagboek had geschreven, en dus leek het mij minder verantwoord om zelf te rijden. In Apeldoorn voor het stadhuis werd ik opgewacht door een verrassend grote groep deelnemers aan de maandelijkse Solidariteitswandeling tegen Jodenhaat vanaf het Stadhuis door de winkelstraten naar de Apeldoornse Synagoge. Ook Gemeenteraadslid Henk van de Weerd (SGP) had speciaal de Raadsvergadering verlaten om solidariteit te betuigen en met mij een selfie te maken. Na nog een aantal andere selfies (want ik word heel wat geselfied), na inspirerende woorden van een van de organisatoren, na een gebed en na mijn toespraak, vertrok de stoet, zonder vlaggen, zonder demonstratieve borden, zonder leuzen, zonder lawaai, maar uitsluitend in stilte, waardigheid en in individueel gebed. Er waren witte steentjes uitgedeeld die, al wandelend, neergelegd zouden worden op herdenkingsmonumentjes die onderweg werden ontmoet. Monumentjes waarop de namen van Apeldoornse Joden die hier tot hun ‘transport’ vredig hadden gewoond, vaak al vele generaties. Bij enkele monumentjes werden de namen en hun geschiedenis voorgelezen en zelfs hun foto’s getoond. Indrukwekkend en tevens waarschuwend.
Want, lieve dagboekenier, wat toen geschiedde… Maar: Am Jisraeel Chaj – het Joodse volk leeft en overleeft!
En daarom, om dat te bevestigen, spoedde ik mij vanaf Apeldoorn naar Lelystad voor een Brit Mila, een besnijdenis, van een achterkleinzoon van acht dagen oud, die met G’ds hulp het Jodendom verder overeind zal houden als schakel in een keten van meer dan drieëndertighonderd jaar.
Dat er behalve zwart en wit ook grijs is en dat niet achter iedere boom een Jodenhater staat werd weer eens bevestigd door een in Nederland geboren jonge vrouw van Marokkaanse afkomst. Zij was de moeder van het snotaapje dat, met vriendjes op de achtergrond, tegen onze voordeur meende te moeten trappen. De moeder was zeer ontdaan en haar knaapje van acht jaar wist niet dat wij Joods waren en had überhaupt nog nooit van Joden gehoord. Door een vriendje had hij zich laten opjutten. Een spelletje. Het jongetje bood zijn excuus aan en moeder gaf ons een bos bloemen. Na het ‘sorry’ van haar zoontje vertelde ze dat in Marokko haar familie gewoon op foto’s staat met Joodse buren. Er was van Jodenhaat toentertijd geen sprake, de verhoudingen waren prima. Zij en haar man hebben bewust geen televisie en doen niet mee met de roddel en achterklap die zich om hen heen intensief afspeelt. Zij wil haar drie kinderen niet laten beïnvloeden door het negativisme dat rondgaat in de woonwijk. En dus wist het knaapje niet eens wat Joden waren. Hij mag van haar en haar echtgenoot niet meer met het vriendje dat hem ophitste spelen. ‘Wij investeren in de opvoeding van onze kinderen, maar de meeste buren laten hun kinderen opgroeien in en door de straat’. Ze zou het waarderen indien we bij haar op bezoek komen voor een kopje koffie.
De bos bloemen geeft mij de hoop dat er toch nog een brug valt te bouwen, ook als het de schijn had dat er aan de overkant geen kade was. Dit gezin woont namelijk aan die overkant!
Reacties
Een reactie posten