Dagboek van de opperrabbijn,, 14 oktober 2026

 

Dagboek van de opperrabbijn, 14 oktober 2026

 

Maandag jl. was ik ’s avonds in Staphorst voor de onthulling van een monument. In de loop der tijd heb ik vele tientallen keren een monument of een plaquette mogen onthullen, maar dit monument was anders en bijzonder.

Bijzonder, omdat duidelijk zichtbaar was dat de onthullingsplechtigheid niet op zichzelf stond, maar de afronding was van een grondig en bezield voortraject. Jarenlang is er onderzoek gedaan om in kaart te brengen wat zich heeft afgespeeld in het huis van hoofdmeester Pauptit, waar drie Joodse vrouwen maar liefst achthonderdtweeënzeventig dagen waren ondergedoken. De initiatiefnemer van het monument is naar Israël gereisd om in Beër Sjewa op zoek te gaan naar de straat die is vernoemd naar een van de onderduiksters, Eleonore Bernheim. Op alle scholen in Staphorst en wijde omgeving is de geschiedenis verteld. Meer dan 600 kinderen mochten meedoen aan een opstelwedstrijd, de beste inzendingen werden bekroond en de initiatiefnemers hebben vele tientallen opstellen en verslagen gelezen om tot een verdiende winnaar te komen. Bij de onthulling waren zeker zo’n vierhonderd aanwezigen: ouderen, jongeren en kinderen. Niet één keer werd er omgeroepen dat het stil moest zijn, want het wás stil. De sprekers, de samenzang en het verhaal over hoofdmeester Pauptit en zijn vrouw, de onderduikers en Staphorst tijdens de bezetting maakten diepe indruk. Dat verhaal werd kundig en boeiend verteld door Jacob Wasschebalie. In feite was het geen onthullingsplechtigheid, maar een bijzonder interessante en bewogen les met als onderwerp: hoe red je het leven van een medemens, ook als dat ten koste kan gaan van je eigen leven en dat van je dierbaren?

Anders. De plechtigheid was ook anders. Alle monumenten die ik tot maandag heb mogen onthullen, waren gericht op herdenken. De vermoorde Joodse inwoners en/of verzetsstrijders toch nog een soort grafzerk geven, maar dan zonder graf. Dit monument betrof echter uitsluitend de herinnering aan overlevenden: onderduikouders met hun Joodse onderduikers. Een herinnering aan helden die zeker geen helden wilden zijn, maar vastbesloten waren om, daar waar vele mensen zich als beesten gedroegen, mens te blijven. Het monument is een benauwend, piepklein huisje met daarin één stoel, symbool voor de angstige beperkingen van het ondergedoken zijn en het zich onzichtbaar moeten verbergen, terwijl iedereen je zomaar zou kunnen zien. De plechtigheid werd besloten met het Hatikwa, zonder dat er ook maar één woord over de huidige politieke situatie in het Midden-Oosten werd gerept, en het Wilhelmus. Na afloop merkte ik dat het inmiddels best erg koud was geworden, maar de warmte die de burgemeester, wethouders, inwoners, schooljeugd en het monumententeam uitstraalden, heeft mij geen kou doen voelen! Dank, Staphorst! G’d zegene jullie!

Dit soort plechtigheden zijn de krenten uit mijn rabbinale pap. Maar zojuist kreeg ik ook een zure pruim te verwerken.

Een man met wie ik vroeger veel en fijn contact had gehad en aan wie ik zelfs nog Joodse les heb gegeven, werd boos op zijn Joodse Gemeente. Niet op mij (wie zou er nou op mij boos kunnen worden?), maar op het bestuur. En dus weigerde hij (als enig kind) om op het graf van zijn moeder, die net vóór de boosheid was overleden, een grafzerk te laten plaatsen. Vervolgens verzocht de betreffende zoon mij om op mijn kosten die matsewa te regelen. Voor zover ik weet, staat er nog steeds geen zerk op haar graf. Moeder zal inmiddels ongeveer vijf jaar geleden zijn overleden. Maar nu, terwijl ik afwezig was, kreeg Blouma een telefoontje van zoonlief. Vader ligt op sterven en hij moet natuurlijk naast zijn vrouw komen te liggen. Bijkomstigheid is dat pa, toen al dementerend, door zoonlief direct na het overlijden van moeder als lid van de begrafenisvereniging van de Joodse Gemeente is uitgeschreven en dat ik vader niet mocht bezoeken. Dat ik dat stiekem wel heb gedaan, is hem niet bekend. Maar wat nu? Blouma heeft hem vriendelijk te woord gestaan. Ook toen hij tegen haar begon te klagen dat ik z’n vader nooit had bezocht… Ook dat hoort bij mijn rabbinale baantje.

Ik ga afronden. Het is woensdagmiddag 16.00 uur. Vanochtend was ik met de cruise naar Nijkerk en dadelijk ga ik naar Elspeet, terwijl Blouma voor Shalva uit Jeruzalem naar Aalsmeer zal gaan.

Shalva is een indrukwekkend instituut voor mensen met een (geestelijke) beperking. Ze hebben een eigen orkest en dat orkest is nu in Aalsmeer, in Nederland, om vanavond een concert te geven.

Omdat Elspeet en Aalsmeer bepaald niet naast elkaar liggen en Blouma en mijn persoontje graag op beide plaatsen willen zijn, gaan we ons in twee groepen van elk één splitsen.

Ik ga naar Elspeet met twee medewerkers van de Israëlische ambassade en met SGP-voorman Chris Stoffer. Omdat Blouma en ik dus (enige uren) gescheiden zullen zijn, komt een van de medewerkers van Christenen voor Israël, die ik vanochtend ook nog had gesproken in Nijkerk, haar meenemen naar Aalsmeer.

Christenen voor Israël gebruikt als motto “Breng de Joden thuis”. En dus dacht ik dat, als Blouma eenmaal in Aalsmeer is, er altijd wel een Christen voor Israël te vinden zal zijn die haar naar huis kan brengen. Ze willen immers gewoon Joden thuisbrengen en daarmee voldoen aan de slogan: “Breng de Joden thuis”. Maar om die christenen de gelegenheid te bieden een Jood of Jodin ‘thuis’ te brengen, moet ze eerst “niet-thuis” zijn. Dus heb ik CvI gebeld met de vraag of een van hen Blouma na afloop ‘thuis’ kan brengen. Die vond ik snel. Toen heb ik wel uitgelegd dat, als zij die mitswa van “Breng de Joden thuis” willen vervullen, ze haar eerst naar Aalsmeer moeten brengen. Want als ze gewoon hier blijft, kunnen zij die mitswa niet vervullen: ze is dan immers al ‘thuis’!

Aan de Ruyterkade ligt een cruiseschip met vijftig orthodox-Joodse families! Ze hadden naar Basel moeten varen, maar vanwege ‘laag water’ kwamen ze niet verder dan de Amsterdamse grachten. Vanochtend heb ik ze naar het Israël Producten Centrum in Nijkerk geloodst. Zoiets hadden ze nog nooit gezien! Christenen die vechten voor Israël!

Hoewel ik vanmiddag stiekem even wilde rusten, lukte dat niet want een jonge intellectuele man, getrouwd met een niet-Joodse vrouw, denkt dat hij Joods is, voelt zich ook Joods en wil Joods leven. 

Klinkt goed, maar zelfs als het zou kloppen en hij Joods is, wat gaat er dan gebeuren? Hij gaat koosjer eten en zijn echtgenote niet? En als ze dadelijk een jongetje krijgen, wat dan met de brit mila? We hebben een afspraak gemaakt waarbij ik wil dat ook zijn echtgenote aanwezig is  En als hij niet Joods is, maar wel Joods wil worden, wat zijn dan de gevolgen voor hun gezinnetje? U kent toch de uitdrukking van die zachte heelmeesters met die stinkende wonden. Aan mij de taak om de medemens te helpen, ongeacht wie of wat die medemens is of denkt te zijn, maar uiteraard binnen het kader van de halacha, de Joodse wet en ethiek.

 

 

 

 

 

Uploaded Image

Reacties

Populaire posts