Dagboek van de opperrabbijn, 21 oktober 2026
Dagboek van de Opperrabbijn 21 okt. 2026
Eigenlijk is het lastig om mijn doen en laten van de laatste dagen met u te delen, omdat er slechts één publiek optreden was: vanavond, zojuist, de solidariteitswandeling in Leiden. Verder waren er ingewikkelde kwesties, vaak beladen met emoties. Als ik die zou beschrijven, zelfs als ik namen zou veranderen, loop ik het risico dat de situaties door derden of door de betrokkenen zelf worden herkend, en dat is onacceptabel. Het beroepsgeheim van een rabbijn of van een geestelijke van een andere denominatie is wettelijk vastgelegd en zeer streng. En zo zou het ook moeten zijn als er geen wet aan verbonden was. Een voorbeeld: als ik iemand uitsluitend vanuit het Sinai Centrum ken of kende, zal ik die persoon nooit groeten in aanwezigheid van derden, tenzij ik hem of haar ook buiten het Sinai Centrum heb ontmoet. Hoewel ik heel veel met Blouma bespreek en zij mijn belangrijkste klankbord is, zal ik informatie die mij in vertrouwen is toevertrouwd niet met haar delen. En dus zit ik even met een probleem: hoe dit dagboek te vullen zonder de privacy van derden te schaden en toch iets met u te delen? Deel dan niet, denkt u misschien, maar daar wringt de schoen. Want wat is het doel van mijn dagboekgeschrijf? Laten zien waarmee een rabbijn zoal bezig is, tonen waarmee de Joodse gemeenschap wordt geconfronteerd, Joodse gedachten delen en medemensen, Jood en niet-Jood, tot steun zijn. Uiteraard alles met inachtneming van de Halacha, de Joodse wet en ethiek, waarbij aangetekend dat Halacha ethiek is en ethiek wordt bepaald door Halacha. De vraag die ik toch af en toe voorgeschoteld krijg nadat ik een halachische uitspraak heb gedaan, is: maar hoe kijkt u er zelf tegenaan vanuit uw eigen ethisch denken? Het antwoord is vrij simpel: ik heb geen persoonlijk ethisch denken. De Halacha, het Woord van G’d, bepaalt mijn ethische gedachtewereld.
Toch wil ik een probleem waarmee ik gisteren opgezadeld ben met u delen, op zo’n manier dat het hopelijk onherkenbaar zal zijn, maar wel illustreert waarmee wij rabbijnen zoal worden geconfronteerd. De heer en mevrouw Cohen (een gefingeerde naam; de echte naam is bij de columnist bekend) zijn Nederlandse Joden die in 1956 besloten met hun drie kinderen Nederland te verlaten en op alija naar Israël te gaan. Een van hun kinderen was in 1949 enkele maanden na de geboorte overleden en ligt in Nederland op een Joodse begraafplaats begraven. De heer en mevrouw Cohen hebben inmiddels hun aardse bestaan ingeruild voor een hoger leven (plat uitgedrukt: ze zijn dood) en nu besluit hun zoon om zijn broertje, dat hij nooit heeft gekend omdat hij pas na diens overlijden werd geboren, over te brengen naar Israël. En nu moet ik hiervoor halachische toestemming geven. Wat speelt hier? Ten eerste: de Halacha. Is het joods-wettelijk toegestaan of misschien zelfs een mitswa om stoffelijke resten naar elders, in dit geval naar Israël, het Heilige Land, over te brengen? Ten tweede: is het volgens de Nederlandse wet toegestaan? Ten derde: is er na bijna tachtig jaar nog iets aanwezig dat overgebracht kan worden? Maar voordat ik de vraag met al haar aspecten ging beantwoorden, moest ik denken aan de Oorlogsgravenstichting, waar ik in de raad van toezicht zit en vrij recentelijk met een soortgelijk dilemma werd geconfronteerd. De heer Jansen (een gefingeerde naam; de echte naam is weer bij de columnist bekend) is als soldaat gesneuveld en ligt begraven in een graf van de Oorlogsgravenstichting, elders in Europa. Mevrouw Jansen (dus ook een gefingeerde naam; de echte naam is ook hier, u raadt het al, bij de columnist bekend) had aangegeven dat zij de stoffelijke resten van haar man niet wilde laten overbrengen naar een ereveld in Nederland. De reden: zij wilde zijn grafrust niet verstoren.
Inmiddels is mevrouw Jansen overleden. Haar zoon wil nu dat vader Jansen wordt overgebracht naar Nederland, opdat hij het graf regelmatig kan bezoeken, want reizen naar het graf elders in Europa vindt hij, gezien zijn leeftijd, lastig. Dit verzoek tot herbegraving heeft de Oorlogsgravenstichting, eigenaar van het graf, niet ingewilligd. De reden: de weduwe had destijds aangegeven geen herbegraving te willen. Nu wil de zoon dat wel, vanwege het gemak. En misschien wil zijn zoon, de kleinzoon dus van soldaat Jansen, als zijn inmiddels bejaarde vader niet meer leeft, dat opa Jansen naar Canada wordt overgebracht, want daar woont de kleinzoon. Voelt u het?
In feite speelt dit probleem zich ook af bij broertje Cohen (1949). De ouders verhuisden naar Israël, hebben nooit aangegeven dat hun zoontje mee zou moeten en nu komt zijn broer met dit verzoek. Maar nog een probleem: die broer, inmiddels dus bejaard, heeft ook nog een oudere zus en een oudere broer, beiden nog in leven. Willen zij ook dat hun broertje wordt overgebracht? Want zij hebben evenveel recht van spreken. En mocht het uiteindelijk de wens van de twee broers en de zus zijn, is het dan juist om de wens van de ouders, die hun zoontje in Nederland bewust hebben achtergelaten, te overrulen? Dus zelfs als het vanuit de Halacha een mitswa zou zijn om broertje naar het Heilige Land over te brengen en alle drie de kinderen van de heer en mevrouw Cohen eensgezind achter een herbegraving in Israël zouden staan, dan nog blijft de vraag: mogen zij, mogen wij, de wil van de ouders negeren? En komen er dadelijk kleinkinderen die niet in Israël wonen en die broertje toch liever in Florida hebben…?
U ziet, beste dagboekenier, ook zonder lezingen en uitstapjes is er werk aan de rabbinale winkel. Ik zou het bijna vergeten, maar ik ben ook nog intensief bezig geweest met twee afzonderlijke gevallen van mensen die zeggen dat ze Joods zijn en van mij een rabbinale verklaring willen hebben om daarmee op aliya te kunnen gaan als geboren (maar niet getogen) Joden. In beide gevallen hebben ze geen enkel bewijs van hun Joodse afkomst, maar wel verhalen. En dus is het aan mij om heel goed te luisteren, om zo het niet-Joodse kaf van het Joodse koren te kunnen scheiden. In beide gevallen heb ik hen bij mij thuis laten komen en het niet afgedaan met een e-mail en zelfs niet met een Zoomvergadering.
De solidariteitswandeling waarmee ik vandaag en dit dagboek afsluit, was anders dan andere solidariteitswandelingen. De mensen waren min of meer hetzelfde, het programma is ook altijd nagenoeg hetzelfde, alleen de wandelsnelheid lag een stuk hoger, waartegen ik absoluut geen bezwaar heb! Een gedreven groep, onze vrienden. Dank voor jullie deelname en dank ook aan de kleine Joodse Gemeente Leiden voor de ontvangst in de sjoel na afloop. Dat was erg goed. Warme thee en koffie en de gelegenheid om samen te spreken, elkaar te zien (want buiten was het donker), vragen te stellen, van gedachten te wisselen.
Ik ben bijna thuis, het is nu 22:30 uur en zit ik achter in de auto op mijn laptop de laatste letters van dit dagboek te schrijven. We zijn aangekomen. Blijf gezond!

Reacties
Een reactie posten